Gerrit van Osch in: Tijdschrift voor gregoriaans, jaargang 42 nummer 1, maart 2017

De redactie ontving een uitnodiging voor de presentatie van de cd Metten van Sint Lebuïnus én een begeleidend boek Lebuïnus herontdekt. Een bezongen heilige, in de Broederenkerk op 12 november j.l. Ondergetekende was verhinderd en kreeg het eervolle verzoek om deze beide publicaties te recenseren. Allereerst het boek, geschreven door Stan Hollaardt, in onze kringen bekend als de dirigent van Schola Cantorum Karolus Magnus te Nijmegen, en Gerard Pieters, schola-lid en historicus. Wat meteen opvalt, is de luxe vormgeving van het overigens juist heel bescheiden boekwerk. Het is ook heel laagdrempelig geschreven: wie aan de hand van een concrete heilige als voorbeeld wil weten hoe men vroeger de liturgisch-muzikale gedachtenis vormgaf en dan in het bijzonder in de vorm van getijden en dan nog eens toegespitst op de metten, dan is dit een aanrader. Hoe een levensbeschrijving (een zogenaamde Vita) gebruikmaakt van modellen, en een geschiedkundige, Gerard Pieters dus, daardoor de franje kan losscheuren van de persoonseigen historische feiten, wordt prachtig geïllustreerd bij deze Lebuïnus.

Over diens leven zijn naast meerdere door de auteur vermelde bronnen voor de in de cd gekozen reconstructie vooral de Vita Lebuini antiqua, door een anonymus geschreven rond 850, van belang. Wat overblijft als toch wel als vaststaand beschouwde feiten: hij werd als Liafwin geboren in Engeland, in Ripon (Yorkshire). In 768, toen abt Gregorius leiding gaf aan het (missie-)klooster te Utrecht en ook het missiebisdom bestierde, werd hij samen met zijn assistent en landgenoot Marchelmus (ook wel Marcellinus genoemd) uitgezonden naar de IJsselstreek. Met succes: aan de westoever richtte hij in Huilpa (Wilp) een gebedshuis op en vervolgens ook aan de oostoever te Deventer. Tegenwerking van de Saksen echter dwong hem terug naar Utrecht. Dezelfde Gregorius wist hem weer te bewegen tot herstel van de verwoeste kerk in Deventer. Vanuit deze missiepost missioneerde hij verder in het grensgebied van de Franken en Saksen en zo zou hij zelfs hebben deelgenomen aan een volksvergadering van de Saksen in Marklo aan de Weser. Kort daarna, in 773, overleed hij en werd hij begraven in de even later weer verwoeste kerk in Deventer. De Fries Ludger, de latere eerste bisschop van Münster, kreeg de opdracht zijn gebeente veilig te stellen in een nieuw te bouwen kerk: de “kleine Lebuïnus”.

Het fraai uitgebrachte boekwerk is een drieluik: links “Lebuïnus de missionaris”, rechts “de Metten van Lebuïnus” en in het midden “Lebuïnus in liturgie en koorzang”. En dan dus de achterkanten: de cd! Het eerste luik is een geschiedkundige verhandeling over “feit en fictie” (boven in grove lijnen al uitgezeefd), “Missionarissen van overzee” (hier verbreedt de scope zich tot heel Nederland en NW-Europa) en “Utrecht en Deventer” (hoe door de Noormannen de bisschopszetel met kapittel tijdelijk ook in Deventer terecht kwam). Het middenstuk is voor onze lezers wellicht het interessantst: na een eerste paragraaf over “Verering van Lebuïnus” geeft Stan Hollaardt een verslag van zijn “Reconstructie van de Metten van Lebuïnus”. De context is al geschetst, het kapittel van Deventer en Utrecht: een klerikale kring van beoefenaars van verschillende artes, die, gebruikmakend van bestaande biografische bronnen en tredend in de (Frankische) tradities van die tijd het corpus aan teksten en gezangen samenstelde.

Door de politiek onrustige tijden vonden er meerdere translaties van de overblijfselen van Lebuïnus (en Marcellinus en Radboud) plaats; de belangrijkste hiervan, naar de nieuwe romaanse basiliek in Deventer die bisschop Bernold liet bouwen in het tweede kwart van de 11de eeuw, werd jaarlijks herdacht op de 25ste juni. Er werd dan ook een processie met de relieken gehouden over het kerkhof. Ook op de sterfdatum, de 12de november, vonden deze plechtigheden plaats, als een groot (duplex) feest. Nóg grootser werd de kerkwijding gevierd, ook weer met processie, dit keer zelfs door heel de stad. De opkomst van de reformatie betekende het einde van deze vieringen. Waarschijnlijk zijn de vieringen altijd beperkt gebleven tot de plaats Deventer, want zelfs in het archief van deze stad, waarin meerdere getijdenboeken van rond 1500 aanwezig zijn, wordt niets vermeld over een Lebuïnus-liturgie: een gevolg van de reformatie of al eerder in vergetelheid geraakt? Wél zijn er teksten, geen gezangen dus, te vinden in een brevier van de uit Deventer afkomstige apostolisch vicaris Bovenius, Officia sanctorum (1623). Raadpleging van de meest uitgebreide database hieromtrent, Cantus Database, zette de auteurs op het spoor van het Utrechtse hs 406 uit de 12de eeuw (27 antifonen en responsories) en hs 413, een Utrechts graduale van de 15de eeuw (de sequentie Lebuine confessorum). De auteurs verwijzen bovendien naar de artikelen over de oudste heiligenofficies in ons land van wijlen Ike de Loos in dit tijdschrift (2000-2, pag. 59-70; 2000-4, pag. 150 – 160). De reconstructie van de Metten baseert zich vooral op genoemd hs 406 én op het Antifonarium van Zoeterwoude, hs 184 uit 1480. Een afbeelding van een pagina van hs 406 laat een diastematisch handschrift zien met notatietekens die lijken op de adiastematische neumen van de vroege Sankt-Gallen hss; er komen ook speciale lettertekens voor en uitzonderlijk zijn heel dunne haarlijntjes naar neumen rond halve toonafstanden: de auteur vraagt zich af of het aanwijzingen zijn voor microtonale intervallen. Naast “Duitse” neumen komen er ook “Franse” voor, reden voor Ike de Loos, zo wordt zij geciteerd, te opperen in haar dissertatie dat dit hs veeleer een contactvorm is van beide tradities.

De Lebuïnus-Metten vieren diens translatie, wellicht die naar de nieuwe grote kerk ten tijde van bisschop Bernold, omstreeks 1040. Waarschijnlijk hebben de kanunniken van de Utrechtse Sinte-Marie het Lebuïnus-officie nog lang gezongen, zodat het later voorkwam in het verzamel-antifonale van deze kapittelkerk. Over de herkomst van de teksten wordt vooral gewezen naar de musicus, schrijver en bisschop Radboud: hele passages uit zijn preek “Homilia S. Radbodi de Sancto Lebwino” vinden we terug in de eerste twee antifonen en responsories. Heel de queeste naar de verering van Lebuïnus leidt uiteindelijk naar een reconstructie die, tevens leunend op de traditie van het zogenaamd “rijmofficie”, resulteert in woord en toon van deze cd. Om praktische redenen beperkt die zich tot één nocturne. Er wordt zoveel mogelijk geput uit hs 406, zo nodig aangevuld met gezangen uit hetzelfde hs 406 (onderdelen die niet direct betrekking hebben op Lebuïnus) en/of met het gebruikelijke metten-officie; de lezingen zijn genomen uit de Vita Antiqua (Hofmeister, 1934). Door dit alles laat de cd zich beluisteren als een historia, een rijmofficie gebaseerd op een vita. Op de cd, zowel afzonderlijk als in combinatie met het boek verkrijgbaar, wordt dus één volledige nocturne gezongen, bestaande uit invitatorium; hymne; drie psalmen met telkens een antifoon; drie lezingen, telkens gevolgd door een responsorie en met in- en uitleidende recitatieven en acclamaties; oratio en afsluiting: Te Deum.

De eerste klanken na het openingsgebed, van het Invitatorium dus, imponeren meteen al in die mooie, door quilisma’s en andere siernoten breed uitgezongen tonen; ze zijn al een voorproefje van de nog komende responsoria prolixa. Toevallig hoorde ik dit gezang ook afgelopen zondagmorgen (15/01) in het radioprogramma “Tussen hemel en aarde”. De psalmodie van de vaste, bij alle invitatoria horende psalm 94(95) is overgenomen uit het officie van de heilige Martinus uit hetzelfde hs 406, beide van de vierde modus.

Conform de Metten van Martinus volgt nu de hymne Iste Confessor uit de Tweede Vespers van Lebuïnus, uit het commune voor belijders niet-bisschop (zie LU pag. 1196). Het wordt twee-korig gezongen, in een vrij zwaar, maar zeer zorgvuldig uitgevoerd vrij ritme. En heel dynamisch – wonderlijk hoe deze schola er steeds in slaagt op een heel eigen manier dynamiek te scheppen – volgt meteen de eerste antifoon, die ons verplaatst naar Lebuïnus’ jeugd: met durf gebracht, met die mooie overgang naar het ijlere incipit van de psalm. De drie psalmen zijn weer genomen uit de getijden van Martinus. De stroming in het psalmodiëren zit ‘m vooral binnen elk halfvers, minder in het per psalm toezingen door de ene koorhelft naar de andere. Er wordt zeer verzorgd gepsalmodieerd; kom daar maar eens mee tegenwoordig! Verrassend is weer hoe de doxologie soms, zoals bij de Openingsrite, wel héél uitdrukkelijk en plechtig, en op andere momenten juist voortvarend wordt uitgevoerd, zoals bij de psalmen, waar het eerste deel zonder mediatio, in één adem gezongen wordt: er wordt blijkbaar veel aandacht gegeven aan de tekst en ook nog eens gedifferentieerd per soort gezang.

Wat in de begeleidende tekst vervolgens wordt aangeduid als responsorium breve is wat als versiculum bekend is, een verondersteld relict van de oude psalmodia directa. We horen een melodie die licht afwijkt van wat we gewend zijn. Na enige recitatieven horen we de drie lecties, telkens gevolgd door een responsorium prolixum: kernstuk van de metten en zeker bij deze versie. Als gedachtenis is het tevens een duik in de lokale geschiedenis. In de tweede lezing treffen we de vermelding aan van Wilp en Deventer: in loco nuncupato Wilpe, ad Deventre portum. Dan vallen ook enige tekstuele overeenkomsten op tussen de antifonen en de lezingen en de responsories: zoals eerder vermeld, wordt er hier aangaande een link gelegd met een preek van Radboud. Wat moet het een lokaal zeer treffend event geweest zijn in de kerk van Wilp in november 2015 en een jaar later in de Broederenkerk te Deventer! Weer word je juist bij de responsories getroffen door de mooie, viriele koorklank, prachtig uitwaaierend in de melisma’s, in afwisseling met de strakker gezongen (solo-)verzen, met telkens eerst een a latere en vervolgens het hele corpus nog eens in de herhaling. Alle drie zijn ze vervoerend, met extra sier en zwier op de kernwoorden (religionis, Resp.-I; simplicitatem en celestis, Resp.-II; presidium, tevens eindcadens van Resp._III). Overigens is presidium ook te beleven als afsluitend kernthema van de hele ritus! Hier valt ook op dat het hooggestemde solovers (anders dan boven gemeld bij de psalmodie) juist wel wordt toegezongen naar het a latere van het koor. Bij alle responsoria is de tekstuele aansluiting tussen vers en a latere trouwens heel poëtisch en treffend. Ike de Loos vindt (TvG 2000-2, pag.65): “De muzikale kwaliteit van het Lebuïnus-officie is wisselend en minder hoog dan die van het Willibrordus-officie. De responsories hebben, evenals in het Willibrordus-officie, grote melismes; deze zijn echter minder uitgewogen”.

De oraties worden heel plechtig en oratorisch gezongen; het geheel staat er ineens door in gebedshouding. Alle recitatieven roepen aandacht op, drukken devotie uit of zijn juist verhalend. Natuurlijk zijn de responsoria de bloemen in het veld; maar het grazige landschap wordt mede bepaald juist door die melodisch bescheidener recitatieven. Als je de lector om zegen hoort vragen, zie je hem als het ware deemoedig buigen: dan weet je dat je te maken hebt met liturgische muziek. Na de slotritus, met een zeer melismatisch Benedicamus (LU, pag. 124) wordt het Te Deum gezongen, tonus recentior (LH pag. 530; of LU pag. lg34: tonus simplex). Ik hoor opvallend lange slotpuncti en tekstaccenten en weer vraag je je af: waar haalt de directie de influistering à la duif van Gregorius vandaan? Want wéér lukt het om een sfeer van aanbidding en lof te creëren; ook al lijkt de schola tegen de stroom in te roeien, je voelt die stroming wel degelijk!

Wat na lezing van het boek(je) en beluistering van de gezangen vooral blijft natrillen is een gevoel van oprechte bewondering en dankbaarheid dat er nog mensen zijn die de kunst verstaan het verleden te laten “opstaan”, ja,, te laten verrijzen: zo wordt telkens alles nieuw, al ligt het nog zo ver achter (of vóór) ons.

Terug